Ik weet niet waar ik ben, ik ben ergens in opgesloten en het is donker om me heen.
Buiten klinkt er een soort gezang, gebrom.
Het klinkt onheilspellend, het IS onheilspellend weet ik.
Angst jaagt door mijn keel en beneemt me telkens mijn adem, ik heb het benauwd,
mijn hart dreunt door mijn lijf.
De deur vliegt open, handen grijpen me beet en voordat ik weet wat me overkomt,
lig ik op een plank, mijn polsen en enkels vastgebonden.
Een stem begint door mijn hoofd te krijsen: “Niet weer Niet weer Niet weer”.
Ik herken deze stem niet die in mijn hoofd gilt, ik word er nog banger van.
Plotseling begint de plank te draaien, sneller en sneller en de stem gilt nog harder.
Een hoge fluittoon dreunt door mijn hoofd en het wordt zwarter en zwarter.
Mijn hoofd valt uit elkaar.
Wanneer ik besef dat ik weer van de plank af ben gehaald, blijken er maanden voorbij te zijn gegaan,
een nieuw zwart gat in mijn bestaan…
