Wilde vogel

Juniper Art, verhalen van een overlevende

Het is donker en stil in mijn slaapkamer in papa’s nieuwe huis. De dekens zijn zwaar en kriebelen.
Ik lig niet lekker en draai me nog een keer om.
Wild schop ik met mijn benen om dat rusteloze gevoel van mij af te krijgen. Moe en gejaagd val ik later toch in slaap.

Met een wilde paniek schrik ik wakker. Ik hoor een auto met gierende remmen voor mijn raam stoppen.
Ik hoor de voordeur open gaan en zware stemmen schreeuwen op de gang. Ik maak me klein en kruip diep weg onder de dekens. Het bonzen van mijn hart verstomt in mijn oren en angst verlamt me als een zware steen die zich in mijn buik heeft opgerold.

De deur gaat open en papa komt mijn kamer binnen. Zware stemmen volgen hem en hun gestalten tekenen zich donker af in de deuropening. Papa tilt me uit bed en geeft me in de armen van een van de stemmen. De stem lacht raar en zijn armen doen pijn als ze mij vasthouden. Papa lacht ook en alle stemmen zeggen nare dingen tegen me. De stemmen nemen me mee naar buiten en papa loopt achter hen aan. Ik moet de auto in, maar ik wil niet. Ik probeer me los te wurmen en de stem wordt heel boos. Zijn armen doen me nog meer zeer en hij duwt me de auto in.

Ik lig op de achterbank en voel een misselijke golf over me heen spoelen als we hard wegrijden. Ik sluit m’n ogen en laat me wegglijden op het ritme van de wielen. Ik ben hier niet. Ik wil hier niet zijn.
Ik stijg op en vlieg met gewichtloze vleugels op de stromen van de lucht. Ik zweef hoog in de lucht.
Ik ben vrij.

Slaperig open ik mijn ogen terwijl ik merk dat een van de stemmen mijn pyjama uittrekt. Ik voel hoe hij mij optilt en neerlegt. Ik lig op een grote stenen tafel die koud is aan mijn rug. Hij maakt mijn armen en benen met kettingen aan de tafel vast. De stemmen zijn stil en de stilte benauwt me. Ik gluur door mijn oogharen en zie flakkerende vlammen spelen met de schilderingen op de muur. Ze lijken haast wel te leven. Achter het kaarslicht is het donker. Ik kan niet zien waar de muur ophoudt en de ruimte begint.

De stemmen zwijgen en staan om mij heen. Vanuit het donker komen nog meer zwijgende stemmen naar mij toe gelopen. Ze hebben lange zwarte jassen aan.
Ik zie het kaarslicht weerschijnen op hun gezicht. Hun uitdrukking is ernstig, de ogen groot en donker voor zich uitstarend. Mijn ogen sluit ik gauw. Ik wil dit allemaal niet zien. Vogel waar ben je? Waar zijn mijn vleugels? Een afschuwelijk gevoel kruipt over mij heen als een afzichtelijk monster. Ik voel me als een weerloos dier dat is overgeleverd aan zijn jager. Ik kan nooit meer ontsnappen. Ik ben hier voor eeuwig gevangen en er is niets dat mij nog kan redden.

Ik hoor ze zingen. Vreemde ritmische klanken vullen de ruimte. Een van de stemmen doet mij pijn en snijdt met een mes tussen mijn benen. Ik klap met mijn vleugels en probeer op te stijgen. Mijn ketens ratelen. Het mes snijdt dieper en mijn vleugels botsen tegen de tralies van mijn kooi. Ik schud hard aan mijn kooi en wil vliegen. De stem maakt de kettingen los en gebied me rechtop te zitten. Bloed druppelt uit mijn lichaam. De stem zegt dat ik moet drinken. Hij houdt een grote beker voor mijn lippen. De smaak is roestig in mijn mond en ik kan het niet doorslikken. Ik moet spugen en de stem wordt boos.
Ik moet drinken van hem en mag niet spugen. Hij wordt heel boos als ik het per ongeluk toch uitspuug en dwingt me om er heel veel van te drinken. Ik huil en krijg op m’n kop, want ik mag niet huilen. Naast me staat papa, maar hij kijkt niet naar me. Hij pakt de beker en drinkt. Alle stemmen drinken ook. Ik zucht en kruip in een hoekje van mijn kooi. Mijn vleugels vouw ik om mij heen en ik blijf onbeweeglijk zitten.

Ik zit noch steeds roerloos als er een stem zich over mij heen buigt. ” Kom maar,” hoor ik zachtjes, ” mama is hier.” Een paar armen tillen mij op en ik verlies mijn gezicht in een bos lange haren. Ik zie geen mama, maar je mag mijn mama zijn als je wilt.

Mama, Leg je armen om mij heen en wieg me zachtjes. Kus mijn voorhoofd en doe de pijn vergeten. Mama, houdt me vast en zeg dat je me lief vindt.

De zachte stem draagt mijn lichaam als een lege huls. Ze aait me niet over m’n hoofd en er komen geen lieve woordjes uit haar mond. Ik spreid mijn vleugels en wil ontsnappen. De zachte stem wordt hard en scherp. Ik ben een heel stout meisje, zegt ze. En stoute meisjes verdienen dit. Niemand kan van stoute meisjes houden. Ik ben heel erg slecht, zegt ze. En van slechte meisjes mag niemand houden. Niemand mag met mij spelen, want dan worden de andere kinderen ook slecht en dat wil ik toch niet? Mama kijkt me aan met boze ogen. Weet ik wel dat dit mijn schuld is?

Ik voel iets zwaars aan mijn vleugels en wordt naar beneden getrokken. Een mes haalt naar mij uit en zwaait voor mijn ogen. Ik krijs en probeer los te komen, maar ben machteloos als een pasgeboren lam. Met een diepe snee worden mijn vleugels geknipt.

Ik kruip weer in het hoekje van de kooi. Mijn gebroken vleugels voelen nat en dood. Ik huiver en heb het koud. Er is niets meer dat mijn naaktheid nog kan bedekken.