Mijn werkelijkheid zit vol met vragen,
hoeveel antwoorden er ook zijn,
voor het eerst is er ‘waarom’?
Een waarom met een roep om recht.
Lijkt alles ontleed,
schijnt de werkelijkheid uitgelegd,
er is dat ongrijpbare,
aan de waarneming voorbij.
Wordt licht – donker,
nacht – de dag,
verglijdt de horizon in tijdloosheid…
Loop je dolend tussen de mensen,
vinden handen geen handen meer,
raakt een hart geen hart meer.
Voorbij zijn verstand en kennis,
ogen en een hart moeten nu zien.
Maar steeds weet ik weer:
Al ben ik vaak bang,
vervagen mijn dromen,
ik wil blijven geloven,
steeds opnieuw hopen
op een mooiere toekomst,
een geborgen leven.
Want er is toch een God,
met gedachten van vrede
en niet van onheil,
een God, Die geluk tot doel
van Zijn schepping stelde!
Hoe mijn leven ook gaat,
ik mag zeker weten:
Deze God leidt mijn weg.
