Ik stond aan een grafje waar een baby in ligt.
Ik las het op de grafsteen.
Ik wenste de baby in stilte alle goeds
en vroeg hem of het goed gaat met mijn baby’s,
de baby’s die ik kwijt ben en nergens meer kan bezoeken.
De vader van mijn baby’s is hun opa en vader.
Ik word ziek van die gedachte.
Ik word ziek van de herinneringen aan wat er met mijn baby’s is gebeurd.
Mijn God, laat er alsjeblieft geen enkele kwade gen van mijn ouders in mij zijn geslopen.
Ik denk aan de kinderen die ik nog wel heb, het zijn fijne mensen geworden.
Ik heb het goed gedaan.
Maar niets kan de plek van mijn verloren kinderen innemen.
Mijn hart bloedt.
