Ik sta op de steen, ik hoor mijn vonnis: doodverklaard.
Helemaal alleen blijf ik achter in het donker.
Als ik eenmaal de weg terug heb gevonden naar huis is alles op slot.
Ik klop aan, bel aan, roep en schreeuw, maar niemand reageert.
Ik loop weer door, zoekend naar mensen.
Ik zie buurman lopen, ik roep naar hem.
Hij loopt vlak langs me af, ziet en hoort me niet.
Wanhopig loop ik hem na. Ik raak hem kwijt.
Alweer weet ik de weg niet.
Ik huil. Ik heb het koud. Ik voel me zo alleen.
De dag breekt aan. Ik loop weer naar huis nu ik kan zien waar ik ben.
De deur blijft op slot. Mijn moeder komt naar buiten. Ik gil naar haar, ik krijs het uit.
Ze loopt me straal voorbij. Ze ziet en hoort me niet.
Ellendig draai ik me om en ga het korenveld in.
Ik ga liggen omdat ik denk dat dat het beste om te doen is als je dood bent.
Iemand roept mijn naam: mijn moeder.
Ik ren het korenveld uit naar haar toe.
Waar was je nu zegt moeder, ik was zo ongerust.
Iedereen was naar je op zoek.
Leef ik dan weer vraag ik aan moeder.
Ja zegt mijn moeder, trek je onderbroek uit, je vader heeft je nodig.
Dankbaar doe ik alles wat ik moet doen. Ik leef weer.
